Medisch Handelen

  1. kan op een efficiënte wijze een probleem gerichte en hypothese gedreven anamnese en lichamelijk onderzoek uitvoeren
  2. kan een geprioriteerde probleemlijst en differentiële diagnose op stellen
  3. kan op grond van anamnese en lichamelijk onderzoek , werkdiagnose en differentiële diagnose gericht aanvullend onderzoek aanvragen
  4. past behandelplannen aan op grond van klinisch beloop en voorkeuren van de patiënt
  5. herkent en houdt rekening met de unieke karakteristieken, noden en behoeften van een patiënt en/of familie voortvloeiende uit culturele achtergrond, geslacht, leeftijd, geloof, etniciteit en persoonlijke voorkeuren
  6. biedt zorgplan aan dat aansluit bij de individuele kenmerken en noden van de patiënt en incorporeert specifieke voorkeuren in zorgplan
  7. herkent atypische presentaties van ziektebeelden
  8. herkent patiënten waarvan de zorgvragen complexe besluitvorming vereisen
  9. is in staat toegesneden diagnostiek- en behandelplannen op te stellen voor patiënten met complexe acute en chronische ziekten
  10. in staat om complexe diagnostische testen te interpreteren
  11. kent de rationale en risico’s van veelvoorkomende onderzoeken en kan bij uitvoering risico’s inschatten
  12. toont in complexe situaties hoe met diagnostische onzekerheid wordt omgegaan
  13. beheerst en onderwijst zondig het uitvoeren van vaardigheden uit het opleidingsplan
  14. in staat zelfstandig patiënten met acute aandoeningen op te vangen
  15. in staat risico-inschatting uit te voeren bij complexe klinische patiënten

Communicatie

  1. betrekt patiënten en incorporeert hun voorkeuren tijdens gemeenschappelijke besluitvorming in uiteenlopende situaties
  2. gaat makkelijk een therapeutische relatie aan met patiënt en familie met uiteenlopende socio-economische en culturele achtergrond
  3. neemt passende maatregelen om specifieke zorgvragen van een patiënt onder te brengen in het behandelplan en communiceert dit met familie en toekomstige behandelaren
  4. gebruikt verbale-, non-verbale of schriftelijke communicatie strategieën die samenwerking van een behandel team faciliteren
  5. statusvoering is gestructureerd, accuraat, en weerspiegelt klinisch redeneren
  6. statusvoering is bondig , ter zake en patiënt specifiek

Organisatie

  1. prioriteert verschillende en competerende taken op een verantwoorde wijze en rondt deze tijdig en effectief af

Samenwerking

  1. verzorgt consultvragen voor complexe patiënten
  2. in staat adviezen van consulenten te vertalen naar het behandelplan van eigen patiënten
  3. kan met tegenstrijdige adviezen van diverse consulenten omgaan
  4. toont begrip van de rollen en verantwoordelijkheden van teamleden en maakt hiervan effectief gebruik
  5. betrekt alle teamleden in de zorg voor een patiënt zodat maximaal van ieders expertise gebruik wordt gemaakt
  6. waardeert de input van teamleden en maakt hiervan aantoonbaar gebruik in opstellen van zorgplan
  7. coördineert overdracht van zorg ten einde patiëntveiligheid en kwaliteitszorg te optimaliseren
  8. draagt op passende wijze zorg voor effectieve en veilige overdracht intra- en extramuraal
  9. communiceert proactief met eerdere- en toekomstige zorgverleners teneinde zorg continuïteit te borgen

Maatschappelijk Handelen

  1. wetenschappelijke, sociaaleconomische en/of gedragsmatige kennis voor patiëntenzorg is voldoende voor behandelen van complexe aandoeningen en integrale preventieve maatregelen
  2. draagt patiëntveiligheid en kwaliteitszorg uit
  3. reflecteert over en leert van incidenten die tot complicaties kunnen leiden
  4. herkent systeemfouten en draagt zorg dat deze de patiënt niet bereiken
  5. voert systeemanalyses naar incidenten en complicaties uit
  6. streeft actief naar doelmatige zorg van de individuele patiënt
  7. streeft naar doelmatig gebruik van middelen (voorkomen van eerste hulp bezoeken, heropnames)
  8. ontplooit initiatieven om zorg op meer doelmatige wijze aan te bieden
  9. betrekt kosten in de klinische besluitvorming, incl. screeningstesten
  10. heeft actieve inbreng in kwaliteit van zorg verbeterprojecten
  11. kan de principes van kwaliteitszorg toepassen in de directe zorg rondom de patiënt
  12. analyseert eigen klinische uitkomsten uit verschillende databestanden en voert verbeteringen uit
  13. integer, transparant en aanspreekbaar naar patiënten, beroepsgroep en maatschappij

Wetenschap

  1. heeft goed begrip van voorafkans en testkarakteristieken
  2. herkent valkuilen en vertekening bij interpreteren van diagnostische testen en procedures
  3. benoemt routinematig de medische informatie die nodig is om een klinische vraag te beantwoorden
  4. kan medische literatuur uit daartoe beschikbare bronnen ontsluiten om klinische vragen te beantwoorden
  5. kan onafhankelijk klinische studies kritisch beschouwen

Reflectie

  1. vraagt actief om feedback van alle teamleden en patiënten
  2. nodigt uit tot ongevraagd advies
  3. vertaalt feedback direct in gedrag
  4. doet routinematig een stap terug om een probleem te bezien en na te gaan of er nieuwe informatie (nodig) is die een ander beeld geeft
  5. reflecteert regelmatig over eigen handelen en toetst dit aan derden om gedrag en praktijkvoering te verbeteren
  6. herkent suboptimaal handelen en gedrag van zichzelf en ziet dit als kans tot verbetering
  7. bewust wanneer hulp van derden is aangewezen
  8. vraagt om hulp indien aangewezen
  9. toont empathie, compassie en respect naar patiënt en familie onder alle omstandigheden
  10. streeft actief om noden en zorgen van patiënt en familie te adresseren
  11. plaatst de noden van de patiënt boven zijn eigen belang
  12. neemt voortouw om ethische dilemma’s en conflict of interest te bediscussiëren
  13. herkent onprofessioneel gedrag en maakt dit bespreekbaar
  14. ondersteunt anderen om zich te houden aan professionele verantwoordelijkheden en gedragscodes
  15. is bereid verantwoordelijkheid te dragen in elke situatie